Meshullam da Piera

Of Love and Lies

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

I have a maiden whom no man has ever known; she is my chief love and treasure.

Her eyes brighten when she hears the bells and pomegranates on the hem of my cloak.

My faithful envoys, as if they were clothing-merchants, brought her embroideries, but they made no mention of payment, demanded no return for my wares.

How joyfully the messenger then informed me that she had accepted my garland of henna blossoms  and lilies, and had sent me a necklace of Nubian gold.

It is as dear to me as braided plates of gold and crescents. In it I can see the carved figures of lovers, like the very figures that are engraved in my imagination: a beautiful woman sleeping on the breast of her lover, and her face upon mine.

 

 

 

How precious were those days when the voices of graceful girls rang in our ears! Those youthful days are gone, yet we greatly rejoice in the honour of old age.

My head is covered with a glorious turban of grey hairs, my beard is white.  Youth’s ornament has been removed; now the fear of sin hangs like a jewel from my neck.

If you find that my tributes are wordy with falsehood, know that they were written in jest and over wine.

When we poets extol the virtues of famous men to the sound of pipes, pay no heed: ours is a labour of lies, and that is why my verses and my mouth are full of deceit.

It is in play that we celebrate the man of our time, and not to win the favour of our listeners.

In truth, I love only that man whose face bespeaks his love for me, and he too will see love’s pledge in my eyes.

As for those whose love is suspect, for them I have a double heart; and I can weigh the suspicion in the balance

 

 

 

 

 

Mijn onbekende minnares

 

 

 

Haar ogen lichten

 

 

 

Mijn bloemenkrans, haar halsketting

 

 

 

Geëtst in mijn verbeelding

 

 

 

Haar gezicht boven het mijne

 

 

 

Die dagen...

 

 

 

Angst om  zonde

 

 

 

Grollend boven wijn

 

 

 

Een mond vol bedrog

 

 

 

Achterdocht in het evenwicht

 

 

Enige tijd geleden werd ik gewezen op de mogelijkheid een onderwerp uit de Joodse literatuur te behandelen in mijn werk. Mij was direct duidelijk dat het een element uit de cultuur zou moeten zijn die in Spanje heerste voordat de Joden in 1492 uit dat land werden verbannen. Ik waardeer de Spaanse middeleeuwse poëzie en ken ook wat Arabische en Hebreeuwse dichters uit die tijd. Naar aanleiding van dit project ben ik me verder gaan verdiepen in de literatuur.

Ik stuitte op de groep kabbalisten  die zich in dertiende eeuw in Gerona rond Nachmanides had gevormd en van een van die mensen, Salomon Meshullam Dapiera, vond ik een stukje tekst wat mij aansprak. Het is een “lyrische prelude” tot een epistolaire ode aan Nachmanides. Zo’n prelude is een bekend stijlfiguur uit eerdere Arabische en Hebreeuwse poëzie.

Het betreft een gedicht over de liefde van de dichter voor zijn minnares zoals er in de Andalusische hofpoëzie veel gedichten geschreven zijn. In het eerste gedeelte beschrijft hij de verhouding tot zijn geliefde toen zij jong waren. In het tweede gedeelte echter bezingt hij de lof van zijn grijze haren, de daarmee gegroeide wijsheid en vervolgens gaat hij op satirische wijze in op de taak en de houding van de dichter. Vooral dit laatste gaat volledig in tegen de conventies in dit soort poëzie die volledig door jeugd en schoonheid beheerst worden.

 

In het eerste gedeelte herken ik de liefde die ik voel voor mijn muze, mijn geheime minnares. Ik heb haar steeds verrast met enorme slingers van observaties in ruil waarvoor ik door haar inspiratie kettingen van schilderijen terug gekregen heb. Die liefde heb ik eerder gethematiseerd, daarbij refererend aan de provençaalse troubadours die in het deugdzaam bezingen en eren van hun geliefde een grotere waarde zagen dan in het bezitten van hun geliefde. Juist de houding van de dichter wordt ook in het tweede gedeelte van “Of Love and Lies” tot thema. Dapiera bezingt daar eerst de weemoed naar vroeger, de waarde van zijn huidige leeftijd, van de wijsheid die daarmee gepaard gaat en vervolgens de houding waartoe hij als kunstenaar gekomen is. Op ironische wijze vergroot hij het gevlei en naar de mond zingen van zijn collega’s uit en brengt zo een scheidslijn aan tussen hen en de deugdzame dichter die hij zelf wil zijn. Deze wordt alleen door een deugdzaam luisteraar begrepen en vormt met hem een geheime alliantie, ongrijpbaar voor buitenstaanders. Deze houding van de dichter wordt kernachtig weergegeven in een raadseldicht van de hand van Dapiera. Ik geef het hierbij in een vrije vertaling uit het Engels:

           

            Men vroeg mij:       “O wijze, wie is het die goed en kwaad niet onderscheidt

                                            en de lof zingt van de mensen van zijn tijd

                                            hoewel zijn hart de waarheid kent en overpeinst?”

            Ik antwoordde hen:  “Ik ben het, vrienden,

                                             De liegende dichter dat ben ik.”

 

De gouaches die ik bij deze tekst gemaakt heb zijn beelden en technieken uit verschillende perioden van mijn kunstenaarschap. Deze keuze heb ik gemaakt om het element van reflecteren op het verloop van mijn ontwikkeling extra te benadrukken.

 

Kees Koomen, Den Haag, 25 februari 2006

 

Literatuur:

T. Carmi - The Penguin Book of Hebrew Verse –Penguin Books, London 1981

Ross Brann -  The compunctious Poet: Cultural Ambiguïty and Hebrew Poetry in Muslim Spain – Johns Hopkins University 1990

Daniel Jeremy silver – Maimonidean criticism and the Maimonidean Controversy 1180 – 1240 – E.J.Brill, Leiden 1965

 

Terug naar de homepage