Presentatie expositie Kees Koomen, zondag 3 september 2006, Oegstgeest

 

Geachte aanwezigen,

 

Het feit dat ik hier kort het woord mag voeren bij de opening van de expositie van Kees Koomen, dank ik aan twee omstandigheden: we zijn al geruime tijd met elkaar bevriend – en nog belangrijker – in de loop der jaren ben ik de verheugde bezitter geworden van een zestal werken van Kees (een serie van 12 illustraties bij een vertaling van mijn hand niet meegerekend). Het is en blijft voor mij spannend en roerend Kees Koomen in zijn ontwikkelingsgang als beeldend kunstenaar en experimentator te volgen omdat ik geconfronteerd met zijn werk steeds aan de grondbetekenis van de woorden ‘estetisch’ en ‘estetika’ moet denken: waarneming. Kees doet steeds een heel indringend beroep op de perceptie, zowel visueel als wat interpretatie betreft, van de kijker. Hij heeft die indringende invitatie zelf verbeeld in een schilderij uit 1993, afgedrukt in zijn documentatie “Kees Koomen, Schilderijen en Tekeningen”, het schilderij “Reach out and Touch” waarin een persoon  (Kees dus, want zijn werk is sterk autobiografisch) de kijker bij zijn kladden grijpt met een reusachtige hand waarvan op de vijf vingertoppen ogen, neus en oor zijn afgebeeld. Om de kijker bij de les te houden (ik zeg expres ‘bij de les’, want een zeker moralisme is Koomen niet vreemd) paste en past hij diverse vervreemdingstechnieken toe die de aandacht van de kijker vast moeten houden, die aandacht moeten de-automatiseren: soms kiest hij voor een bijzondere, vreemde invalshoek voor het oog als camera. Zelf bezit ik een fraai schilderij van hem, afbeeldend een liefdespaar weergegeven van boven uit een spiegel aan het plafond, in een recente gouache getiteld venetië/biennale krijgt de kijker een afbeelding van een afbeelding op een videoscherm, er is meermalen een perspectivische vertekening, zware geometrische aftekening. Het verbaast dan ook niet dat deze periode van geometrisering en vervreemdend perspectief nu gevolgd lijkt te zijn door een grotere hang naar abstractie (bij zijn keuze van vreemd perspectief moest ik weleens denken aan sommige etsen van Escher, voor de vervreemding via kleurvlakjes noemde Kees zelf Bart van der Leck als inspirerend voorbeeld) en de weg van naturalisme naar toenemende abstrahering is ons uit de moderne-kunstgeschiedenis welbekend. Gedurende een zekere periode wilde Kees Koomen deze vervreemding ook bereiken via dubbelschilderijen, twee afbeeldingen binnen 1 lijst of door combinatie van op het eerste gezicht heterogene objecten binnen 1 schilderij, dat de kijker door zijn combinatie intrigeerde en aan het denken zette. Dat is wat Koomen nastreeft, de kijker via het oog aan het denken zetten, de aandacht vast houden zodat de kijker gaat interpreteren: dit streven en receptieproces maken van Koomen een symbolist. Dit op gang willen brengen van een denkproces verklaart, denk ik, ook enigermate zijn steeds terugkerende hang om bijvoorbeeld gedichten die hem troffen, zijn ervaring en interpretatie van die teksten visueel uit te beelden. In zijn eigen toelichting en documentatie noemde hij zijn beeldend werk dan ook “visuele gedichten”.

 

Terugdenkend aan mijn jarenlange contacten met Kees Koomen en aan de bescheiden collectie die ik zelf van hem inmiddels heb opgebouwd, trof ik een Leitmotiv aan dat voor hem als schilder en wellicht voor mij als kijker typerend is. Op de expositie hier zou hangen een afbeelding, getiteld Jerusalem, dat een aantal brandende kaarsen afbeeldt achter een getralied raam. De vlammende kaarsen, duidelijk figuratief herkenbaar, zijn duidelijk symbool van licht, leven, huiselijkheid (het huis bij Koomen is ook een frequent terugkerende symbooldrager), maar dat licht en leven moeten beschermd worden door tralies, die zelf niet realistisch/figuratief zijn afgebeeld, het zijn meer abstracte strepen/krassen van de kunstenaar  zelf, die daarmee lijkt aan te geven dat ook de kunst een dergelijke beschermende functie bezit, want zoals de dichter Lucebert zei: “alles van waarde is weerloos”. Dit motief vind ik al terug in het grote schilderij St. Christoffel die het Jezuskind draagt uit 1989 (dit ook in omvang zeer grote schilderij bezit ik overigens niet want dan had ik mijn huis moeten verbouwen, maar ik heb wel een litho van Kees’ hand met een vergelijkbare afbeelding). Ik bezit ook een gouache met 2 zwanen die wegzwemmen uit een verbrand boek, een pictorale zwanenzang die Kees zelf pessimistischer, geloof ik, duidt dan ik zelf. Wie de website keeskoomen.nl oppiept (dat moet U allen zeker doen, ook de dagboeken van Kees zijn zeer verrijkend), ziet bij de schilderijen uit 2002-2004 een perspectivisch zeer groot, duidelijk joods personage met in zijn beschermende handen een los hoofd van een gesluierde vrouwspersoon, uitbeelding van een bomaanslag. De geometrische weergave van de witte strepen op de geelgroene fluorescerende kleding deed, mij althans, direct denken aan joodse gebedsriemen, de indringende pictorale voorstelling zet de kijker weer aan het denken. Doet U overigens geen moeite om dit prachtige, zojuist genoemde, joodse schilderij aan te kopen, want het hangt al een paar maanden bij mij thuis. Het kind op de schouder van Christoffel, de wegzwemmende zwanen, het losse hoofd (als classicus moet ik dan ook denken aan het losgerukte hoofd van de dichter Orpheus dat bleef zingen), het worden obsederende symbolen met een verwijzing naar de condition humaine in het algemeen, maar ook naar de beschermfunctie die de kunst (en de literatuur, en iedere humaniora-werkzaamheid) in elk geval indirect kan bezitten door het voorstellingsvermogen van kijker en lezer te verruimen.

 

Omdat Kees Koomen zich zo vaak door poëzie heeft laten inspireren en daarmee een luisterrijk voorbeeld is van het tweeduizend jaar oude adagium: ut pictura poesis (‘dichtkunst is als schilderkunst’) en ook omgedraaid: ut poesis pictura (‘schilderkunst is als dichtkunst’), wilde ik tot slot van deze korte inleiding een gedicht voorlezen dat n.m.m. een grote affiniteit met Kees Koomens kunst en kunstopvatting laat zien. Het is van de dichter Martinus Nijhoff uit de reeks getiteld “Houtsneden” (! ut pictura poesis) en het gedicht is getiteld: “Satyr en Christofoor” en sluit in thematiek en symboliek goed aan bij een aantal werken van Kees Koomen: het kind op de schouder als verbeelding van een maatschappelijk en artistiek ideaal, zeker navoelbaar voor vader Kees die sinds enige jaren zijn eigen kind op de schouder draagt; bij het eerste woord uit de titel: satyr, moest ik denken aan een vroeg zelfportret van Kees, nog zeer naturalistisch, geflankeerd door een satyrmasker, en aan het dubbelschilderij “De kunstenaar” uit 1993, dat rechts een mannelijk persoon afbeeldt (Kees dus) met een lam op zijn schouder: gaat hij het offeren, zoals Kees zelf interpreteert of interpreteerde? of beschermen als goede herder, zoals christoforos? en links is een aorta-systeem afgebeeld rood van het bloed, dat, zoals Kees zelf schrijft, “als een brandend braambos het bloed doet opvlammen”.

 

Satyr en Christofoor

 

“Ach Christofoor, vertrouwder

In ’t water dan op ’t land,

Til het kindje van je schouder,

Geef zijn handje me in de hand;

Ik wijs het in de bosschen

De bronnen en de mossen

De vogels en de vossen

De slang, den haas en ’t hert – “

 

Maar Christofoor, op den oever,

Leunt zwijgende op zijn kruk,

De stroom was stroef, maar stroever

Zijn de tranen van geluk:

Nooit was een bedding weeker,

Nooit waadde hij zoo onzeker,

Want nooit nog, nooit nog streek er

Een handje hem door het haar –

 

De satyr nadert ijlings

Door het ritselende riet,

Hij ziet het kind dat schrijlings

Op den reus naar hem omziet –

Hij die langs alle wegen

Zijn lusten had verkregen

Biedt nu, schuw en verlegen,

Een handvol bessen aan –

 

’t Kind heeft zijn hand genomen,

En ’t houdt wat het eenmaal houdt,

De satyr kan niet ontkomen,

Hij danst nooit weer in het woud –

Zoo sterk werd zijn hand gegrepen,

Dat het sap der stukgeknepen

Vruchten in roode streepen

Neerdrupt van pols naar poot –

 

O Christofoor, o satyr,

Uw woede en vlucht zijn getemd,

Men vindt op land of op water

Een klein geluk dat klemt:

Voor Christofoor ondoorwaadbaar,

Voor den satyr ongenaakbaar,

Voor mij, ach, onaanraakbaar

Wegzingend door mijn lied –

 

Martinus Nijhoff

Uit: Houtsneden in de bundel Vormen, Bussum 1924