Essay bij gelegenheid van de tentoonstelling in de galerie Apunto in Amsterdam in 1988. De eigenaars van de galerie wilden dmv een tijdschrift inhoudelijke discussie op gang brengen en als aanzet drukten ze oa deze tekst die bij de tentoonstelling verkrijgbaar was.

 

Ter Zake

In zijn essay "I gather the Limbs of Osiris" betoogt de dichter Ezra Pound dat hij, als hij het heeft over interessante kunst een onderscheid maakt tussen symptomatisch en donatief werk. In het eerste geval weerspiegelt het werk de modes en tendensen van een tijd en geeft voor de hand liggende en logische visies weer die gegeven een bepaalde tijd, plaats en historische ontwikkeling voor kunnen komen. In het geval van donatief werk echter verschijnt iets wat niet in het werk van voorgangers zit. Zij kunnen de kunstenaar er naar toe geleid hebben, maar hij neemt een stap verder, hij haalt uit tot dan toe ongebruikte elementen zaken die nieuw en onbekend zijn. Degenen die dit soort werk maken zijn de groten die onder ons leven en geleeft hebben. Zij hebben, met een begrip dat Pound aan het werk van Dante, een van zijn grote leermeesters, ontleent "virtú" verkregen. Deze "virtú" of individuele kwaliteit is wat hen van hun medemensen onderscheidt en tegelijkertijd het element wat, doordat het in hun werk tot uiting komt de kwaliteit aan hun werk geeft. Pound stelt dan dat het de taak van de kunstenaar is zijn of haar "virtú" te vinden.
   In deze postmoderne jaren lijkt het doen van om het even welke uitspraak ten aanzien van uitgangspunten voor een kunstenaar een zinloze zaak. Toch hecht ik aan Pound’s ideeën veel waarde, temeer daar in zijn stem die van vele groten uit de geschiedenis doorklinken. De term symptomatische kunst roept direct herkenning op, daarvan lijkt op het moment alleen nog maar sprake te zijn als ik galeries of musea bezoek, het is kunst zoals verwacht werd en te voorzien was. De kunst lijkt alleen nog maar op haar eigen geschiedenis betrekking te hebben, op een bepaald moment zijn alle mogelijkheden uitgeput. Kunstenaars die zichzelf in hun werk betrekken zijn dun gezaaid, poëzie is ver te zoeken.
   Voor het maken van donatieve kunst, het verkrijgen van "virtú", hetgeen naar mijn idee de enige ambitie is die een kunstenaar mag hebben, is het voor hem nodig zichzelf te onderzoeken. Hij zal zich dus moeten engageren, op alle mogelijke manieren, met alles wat hem aantrekt of afstoot, met mensen, met schilderijen, muziek, poëzie, maatschappelijke verschijnselen: met het leven kortom. De nek zal ver uitgestoken dienen te worden, voorkeuren moeten uitgesproken, afschuw uitgedrukt, liefde gegeven en haat uitgespuugd worden. Op den duur zal, als de kunstenaar dit engagement in zijn werk toelaat goede kunst ontstaan. Zoals in één mens de hele mensheid besloten ligt kan in de ervaringen van die ene mens, hoe triviaal ook, een universele waarheid uitgedrukt worden.
   Voor mijzelf heb ik besloten te pogen mijn ervaringen met hetgeen ik zie, lees, hoor, en meemaak op een poëtische wijze weer te geven. Dit kan variëren van het maken van een serie schilderijen over jeugdervaringen tot het schetsen van iets wat ik op straat gezien heb, van het maken van een film en een tijdschrift over de situatie waar ik op dat moment in leef tot het interpreteren van een gedicht middels een serie tekeningen. Voor de verwerking van mijn thema’s voel ik mij voornamelijk literair beïnvloed. Technisch gezien ben ik na een periode van het abstraheren van thema’s overgegaan tot een meer figuratieve benadering waarbij formele overwegingen soms aanleiding kunnen zijn tot abstracte elementen in het beeld.
  Voor hoe ik met mijn werk omga zou ik graag de volgende anekdote over de Amerikaanse schrijver Thomas Wolfe vertellen:
   Wolfe is een schrijver die autobiografisch schreef over de plek waar hij opgroeide, over zijn familie vanaf generaties voor zijn geboorte, zijn verhuizing van het platteland naar de stad, de ontwikkeling van zijn carrière, reizen die hij maakte en de mensen die hij tegenkwam. Er wordt verteld dat deze auteur twee enorme hutkoffers had staan op de vloer van zijn driekamerappartement in het Chelsea-hotel in New York toen hij daar woonde. In deze koffers bevond zich alles wat hij ooit had geschreven, als hij iets nieuws geschreven had dan deed hij het bij de rest. Dientengevolge bevatten deze koffers een chaotische massa manuscripten korte schetsen die Wolfe had overgetyped samen met vergeelde stukken papier die bijna uit elkaar vielen, zaken die hij geschreven had aan het begin van zijn carrière en grote stapels beschrijvingen van een pagina lang. Van tijd tot tijd stopte hij enige dagen met schrijven en rommelde in zijn koffers om stukken manuscript eruit te nemen en ze te combineren. Als een of ander fragment dat hij zes jaar eerder geschreven had paste bij iets wat hij zojuist geschreven had deed hij die samen en herschreef het als dat nodig was. Zo werden kleine fragmenten onderdeel van grotere stukken. Die werden dan weer ingezouten om later weer te worden opgegraven teneinde deel uit te maken van nog grotere stukken. Uiteindelijk zijn hieruit twee enorme romans gepubliceerd tijdens Wolfe’s leven en na de dood van de schrijver heeft een redacteur er nog twee romans uit samengesteld die werden gepubliceerd.

Kees Koomen
Den Haag, december 1987

Terug naar teksten