In het oog van de kijker

Kunst die betekenis zoekt

De eerste tentoonstelling die ik van de Haagse kunstenaar Ton Schuttelaar zag, ‘this great fire’, vond in 2006 plaats in de ruimte van Quartair in Den Haag waar hij voor STROOM een grote installatie maakte. Hij wist de grote moeilijke ruimte met eenvoudige middelen totaal te beheersen.
Een geometrisch vloerpatroon naast een spiegelende wand in combinatie met de stalen pilaren die de ruimte bevat deed aan een moskee denken, de suggestie van oneindigheid. Daarin stond een houten pilaar met een boeket bloemen in een vaas met stalen kogels en op de vloer lag een met verf besmeurd rotsblok. Ik kreeg associaties met Japanse zen-tuinen en koans, de onoplosbare zen-raadsels die de geest onophoudelijk langs mogelijke oplossingen kunnen laten dwalen. Terzijde stond een tafeltje met stoelen en vanaf het tafeltje werd een video geprojecteerd. Op de spiegelende wand hing een vel papier met daarop twee rechthoekige vlakken wat de ruimte naar de beeldende kunstpraktijk terugkoppelde. Ook lag op de vloer ergens een Metro.

Een eerste indruk is heel belangrijk voor hoe je verder het werk van een kunstenaar ervaart. Voor mij was deze tentoonstelling met haar schijnbaar willekeurige elementen een bron van mogelijke betekenissen die echter geen van allen expliciet gemaakt werden. Het was een met weinig middelen gevulde ruimte die met een groot gebaar werd gepresenteerd om de toeschouwer de ruimte te geven conclusies te trekken, een mentale ruimte als het ware. In die periode was het project ‘Atelier als Supermedium’ al begonnen. Het werd uitgevoerd door Ton Schuttelaar en Machiel van Soest in een gymzaal - Schuttelaar’s atelier- die ingedeeld was in acht semi-museale ruimtes. Eens in de maand werd hier een tentoonstelling door genodigden gemaakt en één avond getoond. Tussendoor maakten de beide kunstenaars regelmatig samen of solo een tentoonstelling. De inhoudelijke ernst van het project en het werk dat getoond werd leek in tegenspraak met de ontspannen en aangename sfeer, maar die attitude en de energie die het geheel uitstraalde spraken mij enorm aan.

 

minimale beelden
Het individuele werk van Schuttelaar komt als volgt tot stand: hij maakt duizenden foto’s van dingen die hem opvallen. Er is weinig bijzonders aan, ze zijn kaal, er staan geen bekenden op. Het zijn situaties, vormen, kleuren uit het leven aan de randen van een grote stad. Uit deze foto’s maakt hij een keuze en de gekozen foto’s krijgen een titel. Die titels zijn vaak erg pompeus, zwaar. Ze suggereren begrippen of bezigheden uit de kunst, politiek, ethiek of religie. Met dit materiaal gaat Schuttelaar het atelier in of hij gaat aan het werk in een ruimte waar hij werk kan laten zien. Daar maakt hij er beelden van. Die beelden zijn ook weer minimaal, gemaakt met ‘arme’ voor de hand liggende materialen. Het werk wordt zorgvuldig opgebouwd in relatie met de ruimte waarin het getoond wordt.

 

het alledaagse leven betekenen
Er lijkt een verband te bestaan tussen het werk van Ton Schuttelaar en Robert Smithson en dan met name de de Non-Sites. Smithson’s idee om plekken uit post-industriële landschappen binnen de tentoonstellingsruimte te brengen vindt een parallel in de foto’s die Schuttelaar gebruikt om ingevingen uit de buitenwereld na vertaling de ruimte in te brengen waarin hij werkt. Schuttelaar haalt een hedendaagse zijnswijze binnen in de tentoonstellingsruimte, het alledaagse leven in de vorm van uitgedroogde pizza, opgekrulde waterslangen, kleurvlakken, stukjes tape, gemorste verf, losliggende plastic tasjes en dat in combinatie met titels als ‘resistance’, ‘a testimony’, ‘misrepresenting the truth’: het geeft de kijker een wonderlijke ruimte om de geest te laten dwalen door mogelijke betekenissen van het werk en na te laten denken over waar betekenis gemaakt (conceptie) en gegeven (perceptie) kan worden. Dat spanningsveld tussen maker en beschouwer intrigeert mij mateloos en in Schuttelaar’s werk wordt het eindeloos opgerekt.

Na mijn eerste kennismaking met het werk van Ton Schuttelaar en met de mentaliteit waarmee hij werkt ben ik zijn werk gaan volgen. Ik waardeer het om de ruimte die het afdwingt om er zelf actief mee aan het werk te gaan. Het is dezelfde ruimte die hij in ‘Atelier als Supermedium’ bood aan andere kunstenaars om een tentoonstelling te maken en die Schuttelaar tot een grootmoedig kunstenaar maken.
Ezra Pound heeft het in zijn essays over het begrip ‘meaningful detail’. Schuttelaar geeft met zijn onderdelen van de werkelijkheid een beeld van de 21e eeuw waarin cultuur nog steeds probeert op wanhopige manier de natuur tevergeefs te reguleren. Daarnaast geeft hij aan het kunstenaarschap een gevoel van zinloosheid: de werken ontvluchten een betekenis, zij weigeren zich te hechten en misschien is het maar goed zo want nu is het aan ons er aan te werken!