Van tweeën één maken

over het werk van Maarten Schepers

Het werk van de Haagse kunstenaar Maarten Schepers doet in eerste instantie aan als een worsteling van de menselijke natuur met bedachte structuren waarbinnen een mens zijn plaats moet vinden. Of het nu de beelden zijn die Schepers als beeldhouwer heeft gemaakt, of de sociale activiteiten waarvan hij deel uit maakt: de kunstenaar probeert beide gegevens te verbinden. Kenmerkend is het project NICO uit 1998: tijdens een beeldenroute die hij met zijn werk voor de toenmalige Artoteek op diverse locaties organiseerde leidde hij kunstliefhebbers rond. Tijdens die rondleiding kwam hij in contact met Simon Kamper van de stichting Behoud Cultureel Erfgoed. In gesprekken bleek dat deze stichting huisjes in en rond het Florahofje ter beschikking wilde stellen voor een kunstproject. Samen met Hans Ensink op Kemna organiseerde hij het gebeuren waarvoor Schepers een aantal Haagse kunstenaars uitnodigde en Ensink op Kemna kunstenaars uit Enschede en omgeving vroeg deel te nemen aan het project. Het resultaat was een verrassende tentoonstelling waarin over de organisch gegroeide stadsstructuur van het hofje een sociaal netwerk van kunstenaarsverbanden werd gelegd. Het werk van Schepers was daarin een in purr-schuim gebed messing straatje waarmee door een steegje een verbinding werd gelegd tussen het Florahofje en een werk van Urs Pfannenmüller.

In dit project ziet men een aantal kenmerken van Schepers werk samen komen: een actieve preoccupatie met sociale verbanden, verbindingen maken, wonen, leven en woon- en bouwstructuren. In zijn beelden uit de jaren negentig komen al huizen, tafels, stoelen en bedden voor. In combinatie met bladnerf structuren of gestileerde plattegronden speelt Schepers met het spanningsveld tussen organische groei en utilitaire ontwikkeling. Hij doet dat ook in het materiaal gebruik: de nerf structuren worden in was uitgevoerd, schema’s in staal. Bijvoorbeeld: op een in staal uitgevoerd deel van een plattegrond dat een tafel draagt ligt een gebogen wasstructuur. Deze doet denken aan een gebogen blad, maar ook aan hersenen. Hier komen organische en ontworpen structuren dicht bij elkaar en lijken zij elkaar zelfs te spiegelen.

 

Maarten Scheepers als organisator

Na het project Nico wierp Schepers zich op als de initiator van de Haagse broedplaats DCR. Mede door zijn sociale vaardigheden en een sensitiviteit voor ambtelijke gevoeligheden die hij toonde in zijn contacten met STROOM, de gemeente Den Haag en naar de deelnemende kunstenaars toe, is de broedplaats een vlaggenschip van het gemeentelijk beleid geworden. Schepers zag de activiteiten voor de broedplaats als integraal deel van zijn kunstenaarschap en een aantal elementen uit zijn beeldende werk komen hierin ook samen: het combineren van chaos (kunstenaars) met een structuur die door de gemeente en door de brandweer worden opgelegd, het ontwikkelen van een sociaal en creatief organisme dat functioneert door interactie met zichzelf en de omgeving en het facilitair bezig zijn.

Dat laatste wordt belangrijk in het collectief EX-MÊKH dat in de DCR door Maarten Schepers en drie andere kunstenaars wordt gestart. In dit collectief wordt nagedacht over exposeren, de context waarin geëxposeerd wordt en over hoe de attitude van de deelnemers en hun werk elkaar kunnen beïnvloeden. EX MÊKH is voor de kunstenaar een enorme katalysator waardoor het werk in een stroomversnelling raakt. Schepers ontwerpt voor een tentoonstelling in W139-Basement een expositie-eiland dat een modernistische sculptuur is en tegelijkertijd een galerie voor de andere leden van het collectief dat los staat van de veelheid van andere deelnemers, één geheel en tegelijkertijd een structuur van werken van EX MÊKH leden.

 

zwart geblakerde muren

Voor het CBK in Apeldoorn ontwierp Schepers lichtkanonnen. Met deze werken manipuleerde hij het buitenlicht dat door een tweetal ramen naar binnen stroomde en maakte daar een visuele structuur van die de ruimte beïnvloedde. Na een aantal tentoonstellingen werkte de kunstenaar in 2008 op uitnodiging van HEDEN een periode in Yogyakarta. Hier vond hij een spanningsveld dat ook in zijn werk aanwezig is: de razendsnelle economische ontwikkelingen in Azië met alle architectonische gevolgen stonden in schril contrast met de traditionele Indonesische cultuur. De kunstenaar maakte een aantal werken waarvan de installatie ‘House of Eggs’ het duidelijkste het Indonesisch dilemma weergaf. Het is een huis met een strakke eenvoudige vorm waarbinnen de muren zwart geblakerd zijn en de vloer bezaaid is met rauwe eieren. Het licht bestaat uit een kaal peertje dat vaal licht in het huis laat schijnen. Met licht maakte Schepers meer werken in Indonesië, hij vond het opvallend dat het karige licht in de stad in schril contrast staat met de metropolitaine ontwikkeling. De ‘House of Eggs’ krijgt daarna in het EX-MÊKH project ‘Takes Five’ een Europese pendant: een huis op een sokkel met daarin een petroleumlamp, erachter een dennenboom en eronder, visueel gescheiden van elkaar, diverse artefacten waarmee de mens haar primaire functies vervuld. Het is de analyse van een huis, als vaak in meerdere betekenissen, dat in tegenstelling tot het Indonesische huis gecompliceerd oogt.

Dat huizen de kunstenaar bezig blijven houden blijkt in Hongarije, waar hij in de zomer van 2011 een werkperiode doorbrengt. Hier is het huis blauw en gedeformeerd, verscheurd net zo als de sociale ontwikkelingen in het dorp waar Schepers verbleef. Door migratie dreigt het dorp leeg te lopen, en uit de stad komen mensen die een tweede huis willen omdat de pastorale omgeving hen aantrekt. Juist die tegenstrijdige waardering doet het blauwe huis naadloos in de enigszins vervallen omgeving in Pècsbagota passen waarmee de kunstenaar mooi twee tegenstrijdigheden heeft verenigd.