Deze tekst is geschreven bwv inleiding tot een overzicht van tekeningen in houtskool, conté en siberisch krijt. Daar de financiering hiervan niet rond kwam is het boekje nog niet verschenen.

INLEIDING

  In uw handen houdt U nu het tweede boekje dat over mijn werk is uitgebracht. Ik heb gekozen voor de titel “Werk in grijzen”, omdat ik mij realiseerde dat ik, als ik het heb over mijn zwart-wit werk, eigenlijk praat over werk dat voornamelijk bestaat uit grijstinten, hoe graag ik ook probeer het diepste zwarte gat te tekenen dat ik uit mijn krijt kan persen en hoezeer ik dat ook graag doe op licht getint papier.
   Tijdens de voorbereidingen van de publicatie “Kees Koomen, schilderijen & tekeningen” werd het mij snel duidelijk dat mijn oorspronkelijke plan om daarin ook wat zwart-wit tekeningen op te nemen een aantal complicaties zou oproepen die ik binnen het concept zoals zich dat ontwikkelde niet zou kunnen oplossen. Het voornaamste probleem dat zich voor mijn gevoel voordeed, was dat ik ze, als ik die tekeningen in dat boekje zou opnemen, de autonomie die ik dat soort werk toeken zou ontnemen. Het zou betekenen dat ik daarvan een soort dienstbaarheid aan de schilderkunst zou suggereren die ik voor een deel weliswaar erken, maar die ik zeker niet als belangrijkste kwaliteit zie.
   Tekeningen hebben naar mijn idee een waarde `an sich' en maken deel uit van een proces waar ook schilderijen resultaat van zijn. In een goede tekening moet dat proces herkenbaar zijn, door de eenvoud van de middelen en de niet zelden vluchtige aard van dergelijk werk moet een tekening iets bewegelijks houden. Tekenen is voor mij een materialisering van het denken, een beweging, een tekening is een gedachte tijdens een redenering die tot een bewering leidt. Dat zo'n bewering naast de vorm van een schilderij ook de vorm van een meer doorwerkte tekening kan aannemen heeft voor mij te maken met een fascinatie met het materiaal en wat je daar al niet mee kunt doen, de hemel en de hel kunnen worden weergegeven en alle grijstinten die daartussen te vinden zijn, daarin doet zij zeker niet onder voor schilderkunst en is juist in haar beperkingen soms zelfs meer effectief.
    Zodra een tekening geďsoleerd en ingelijst getoond wordt, krijgt ze meer het wat statische karakter dat schilderijen in al hun demonstratieve kracht kunnen hebben, maar als er enig leven inzit, zal ze spartelen als een vis op het droge en zal de nieuwsgierige beschouwer geneigd zijn de stroom in te duiken om te zien wat daar nog meer aan fraais te vinden is tussen licht en donker.

Kees Koomen, Den Haag januari 1996

 Terug naar teksten